DE WEDERROPBOUW VAN DE BURCHTDoor het plannen van de bouw van de spoorweglijn tussen Koblenz en Metz langs de Moezel, werd onze regio voor meneer Ravené interessant en hij werd verliefd op de ruďne van de burcht Cochem.
Samen met de bouwraad Hermann Ende deed hij reeds begin 1867 de aanvraag tot koop van de ruďne, om deze weer op te bouwen, bij het pruisische Domeinenbeheer. Ongeveer één jaar later, 1868 had de toenmalige pruisische koning Wilhelm de eerste, de verkoop goedgekeurd onder de volgende voorwaarden:
De prijsvinding: 300 daalder, is een symbolische prijs. Men orienteerde zich aan een vergelijkbaar geval, de verkoop van de ruďne Hammerstein. In juni 1868 begon men met het opruimen van de geweldige puinhoopmassen onder de leiding van professor en koninklijke bouwraad Ende. Verschillende grondmuren, fundamenten alsook de kelder aan de Moezelzijde en de waterput werden vrijgelegd en gezekerd. De hoofdburcht werd gebouwd, de bovenste kamers werden voor de wederopbouwer ingericht. Vanaf 1871 begon de tweede bouwepoche onder bouwraad Julius Carl Raschdorff. Raschdorff was bekend voor zijn renaissancebouwwerken (Wallraf Richartz, museum Köln), was voordien stadbouwmeester in Keulen en had zich reeds met een fantastische naam etabliseerd. De planning van het buitenbereik orienteerde zich aan de voorwaarden bij de koop. De planskizzen uit het architektonische skizzeboek zijn nu nog daar. Zo vinden onze bezoekers bij de rondleidingen o.a. een eetkamer in de neo-renaissancestijl, een gotische en een romaanse kamer. In 1877 werd de inwijding van de burcht en de opening van de keizer Wilhelmtunnel met een feestbanket in de ridderzaal gevierd. Alle gasten met rang en naam, hebben daaraan deelgenommen. De plaats aan meneer Ravené’s zijde bleef leeg, zijn vrouw had hem in de steek gelaten. |